Staf Depla: 'Zorgprofessionals en psychisch ernstig kwetsbaren gegijzeld in systemen'

19-06-2020
344 keer bekeken 1 reacties

In 2012 sloot de Rijksoverheid met de zorgverzekeraars en zorgaanbieders een akkoord dat het aantal bedden in ggz-klinieken met één derde zou worden afgebouwd.

Staf Depla

De gedachte achter deze afbouw was dat een groot deel van de circa 250.000 mensen met ernstige psychische problemen beter af zijn als ze in hun eigen omgeving een zoveel mogelijk normaal leven kunnen leiden. Dan moeten ze wel een woning kunnen vinden en geholpen worden met het vinden en houden van een betaalde baan. Of, als dat er niet in zit, met dagbesteding. En als ze schulden hebben moet ervoor gezorgd worden dat ze daar niet in verstrikt raken. Kortom, naast hulp door de ggz is er voor hen ook ondersteuning vanuit de buurteams, woningcorporaties en (soms) jobcoaches via het UVW nodig.

De noodzakelijke hulp varieert per persoon. Er zijn periodes waar het een stuk beter gaat. Het hebben van een baan of een partner kan de aanleiding zijn om kortere of langere tijd geen of minder zware hulp nodig te hebben. Ze kunnen dan terugvallen op de basis-ggz. Om deze mensen op eigen benen te laten staan is een samenspel van de cliënt met de betrokken instanties en professionals nodig.

Dat samenspel is ingewikkeld genoeg. Maar we hebben het extra moeilijk gemaakt. Mensen met ernstige psychische problemen, de ggz-professionals en de medewerkers van de buurtteams, hebben met 3 zorgwetten te maken. Namelijk: de Wmo, de Wet Langdurige Zorg en de Zorgverzekeringswet. De zorgverzekeraars werken volgens het medisch model “repareren wat stuk is”. Ze betalen voor een ggz-behandeling, en die is eindig. Voor de lichtere basis-ggz en andere ondersteuning, die soms meer en soms minder nodig is, geven ze niet thuis. Zo krijgen de gemeenten de rekening voor alle ondersteuning die langduriger is. Echter, vanuit het doel om het leven van iemand met psychische problemen te verbeteren (veelal stabiliteit in plaats van genezing) is die ondersteuning juist cruciaal. De schotten tussen deze wetten frustreren professionals om samen en integraal de best werkende zorg en ondersteuning te geven. De angst van zorgverzekeraars, gemeenten en het Rijk om de rekening van de ander te betalen, belemmert de samenwerking.

Als we mensen met ernstige psychische problemen echt een kans willen bieden om in hun eigen omgeving te leven is het een goed idee om de professionals de zorg te laten leveren die zij nodig vinden, ongeacht uit welke pot het betaald wordt. Onder het motto financieren wat nodig is, is dit idee in een paar regio’s uitgeprobeerd. Samenwerkende gemeenten, zorgverzekeraars en ggz-instellingen hebben de koppen bij elkaar gestoken. Alle partijen waren enthousiast. Zo kwamen de Minister, de wethouder en de directeur van de zorgverzekeraar gezamenlijk het lint knippen bij de start van de pilot. 

Maar wat blijkt? Wanneer de pilot stopt is er geen structurele oplossing voor mensen met langdurige problematiek en starten we elders in het land weer een vergelijkbare pilot. Over die oplossing is iedereen het eens. Toch is het de samenwerkende overheden nog niet gelukt een structurele oplossing te verzinnen. Professionals en mensen met ernstige psychische problemen ‘gijzelen’ we in de bestaande wetten en stelsels. Wie bevrijdt ze? 

Afbeeldingen

1  reacties

Bellen met Bernard 26-06-20 om 16:57

Het beleid om mensen met psychische problemen niet meer ‘weg te stoppen’ en ze vooral te behandelen in hun eigen omgeving is heel Lovenswaardig. En met goede intenties ingevoerd. Toch is de praktijk weerbarstig. Een van de redenen waarom die praktijk minder rooskleurig is, is het feit dat er maar liefst drie zorgwetten van toepassing zijn. Te weten: de Wmo, de Wet Langdurige Zorg en de Zorgverzekeringswet. Dat zorgt voor bureaucratie, voor frustratie bij professionals en voor angst bij zorgverzekeraars.  

En dus legt Staf Depla in mijn ogen terecht de vinger op de zere plek. En wijst hij op deze ogenschijnlijk gemakkelijk te repareren ‘weeffout’. Tijdens de pilot ‘financieren wat nodig is’ bleek dat het ook anders kan. Deze pilot is geslaagd. Alleen is de structurele oplossing nog niet geregeld. 

Waar dat aan ligt? In mijn ogen aan een mix van redenen. Niet voor niks is ‘Nederland gaat ten onder aan de pilots en experimenten’ één van mijn oneliners. In Nederland zijn we namelijk heel goed in het scheppen van ruimte voor zo’n pilot (in tijd en geld), maar denken we -blijkbaar- onvoldoende na over implementatie. Daarvoor is een aantal oorzaken aan te wijzen. Soms is een pilot simpelweg ‘afkoopgedrag’. En is er nauwelijks een intentie om het ook daadwerkelijk anders te organiseren. Soms is het initiële draagvlak voor de verandering weg, omdat de pilot ook onvermoede schaduwzijden van de nieuwe oplossing openbaart. Soms ook ziet een bestuurder op tegen het implementatieproces zelf. Maar vaak ook boekt een pilot resultaat. En dan is de vraag; ‘wat nu?’

Iets preciezer bekeken, zou je kunnen stellen dat op kleinschalig niveau vrijwel iedere nieuwe regeling of werkwijze goed te implementeren is. Maar dat, naarmate het schaalniveau stijgt, ook de implementatie lastiger en complexer wordt. Dus zou je in iedere pilot vanaf het allereerste begin heel goed moeten nadenken over ‘hoe je daadwerkelijk kan opschalen’. Dat moet een integraal onderdeel van de pilot zelf zijn. Zodat er naast de pilot zelf een opschalingsproces vormgegeven wordt, dat inzichtelijk maakt, wat er ‘straks’ als de pilot geslaagd is, als eerste stappen zou moeten veranderen. 

Dat zou pleiten voor twee groepen deelnemers aan iedere pilot: aan de ene kant de energieke, ‘out of the box’-denkers die werken in het veld en de pilot inhoudelijk kunnen dragen. Maar aan de andere kant ook een aantal precieze regelaars, bij voorkeur ook van bovenlokale partijen, die de systemen kennen en exact weten, welke voetangels en klemmen dan ontmanteld moeten worden voor een grootschalige regeling.  Zodat zodra de pilot succesvol is gebleken de plannen voor opschaling al helemaal gereed zijn.

Cookie-instellingen